< inhoud > < volgende >
< vorige >
GASTARBEID EN
KAPITAAL
 |
Korte
geschiedenis van de gastarbeid
In de 17e eeuw (de ``Gouden Eeuw''), toen de rijke Nederlanders hun rijkdommen
vermenigvuldigden met handel en daaraan gekoppeld de scheepvaart, waren de
niets-bezittende stadsbewoners zo verpauperd dat zij, op enkele uitzonderingen na, niet te
gebruiken waren als scheepsbemanning. Men bemande de schepen toen voornamelijk met Duitse
plattelanders. De buitenlandse namen van de scheepsbemanningen uit die tijd spreken wat
dat betreft voor zich.
In de 19e eeuw, toen de industrie - in navolging van Engeland - opkwam in Europa, heeft
Nederland, dat voornamelijk agraries was, z'n industrie opgebouwd met hoofdzakelijk de
kennis van buitenlandse arbeiders. En ook voor de produktie werden buitenlanders
aangetrokken.
Slechts voor het ongeschoolde en smerige werk gebruikte men op dat moment Nederlanders die
veelal van het platteland kwamen, daar men de bevolking van de steden niet zo goed kon
gebruiken, vanwege hun - ook toen nog - te slechte lichamelijke konditie. Met het
voortschrijden van de industriële revolutie had men steeds meer arbeiders nodig die dat
smerige ongeschoolde werk konden verrichten. Massaal werden arbeiders gebruikt als
verlengstuk van de machines. Jarenlang, soms een heel leven, maakten deze arbeiders een en
dezelfde beweging. Skeletten van arbeiders uit die tijd laten door vergroeiingen duidelijk
zien welk lichaamsdeel men soms al van kinds af aan konstant overbelastte.
In Delft stichtte men in 1843 een poly-techniese school die in 1905 was uitgegroeid tot de
Techniese Hogeschool. Daar leidde men, ook dikwijls weer met behulp van buitenlandse
leerkrachten, Nederlanders op voor die techniese funkties, die voor de industrie
noodzakelijk waren. Vanaf 1861 ontstonden er ambachtscholen (de eerste in Amsterdam) waar
men jonge arbeiders opleidde tot geschoolde arbeidskrachten. De buitenlanders, die hun
kennis en vakbekwaamheid hadden uitgedragen, keerden terug naar hun geboorteland. Maar ook
bleven er velen hier in Nederland en werden Nederlander, getuige de vele buitenlandse
namen, die in bepaalde streken in Nederland voorkomen. De Friese - en in mindere mate de
Drentse - veengebieden zijn in eerste instantie ontgonnen door Duitse landarbeiders. Ook
alweer omdat de autochtone (oorspronkelijke) bevolking niet vakbekwaam en in te slechte en
zwakke lichamelijke konditie was. En door de jaren heen hebben ook in de Limburgse mijnen
duizenden buitenlanders werk gevonden en vervolgens een woonplaats. Met name Duitsers en
Midden-Europeanen zijn in grote getale naar Zuid-Limburg gekomen, omdat dáár werk
voorhanden was, dat zij thuis niet vonden.
Zelfs tussen de twee wereldoorlogen met daarin de krisisperiode, kwamen er door de
situatie in Duitsland vele buitenlandse arbeiders, hoofdzakelijk in gezinsverband, als
mijnwerker in Limburg werken en wonen. Zij pasten zich snel aan aan de Limburgers, ook al
omdat de taal, de religie -kortom hun hele kultuur - niet al te zeer verschilde van die
van de Limburgers. Zonder dat het tot al te grote spanningen leidde, gingen die
buitenlanders langzaam maar zeker op in de plaatselijke bevolking. Na de tweede
wereldoorlog begonnen de mijneigenaren weer mijnwerkers in het buitenland te ronselen, de
Italianen. Ditmaal waren het geen gezinnen, maar vrijgezellen. De problemen die dit
aanvankelijk opleverde, waren echter na enige tijd hoegenaamd opgelost en velen van hen
hebben zich blijvend gevestigd.
In 1962/1963 - men had in Nederland net een kleine ekonomiese krisis (bestedingsbeperking)
achter de rug - begonnen de ondernemers, bij het krapper worden van de arbeidsmarkt, weer
buitenlandse arbeiders aan te trekken. Ditmaal waren het de scheepsbouw, de hoogovens en
de Twentse textielindustrie. Aanvankelijk waren het Spaanse en Italiaanse geschoolde
arbeiders. Ook Duitsland en België ronselden geschoolde arbeiders. Deze geschoolde
buitenlandse arbeiders waren dan ook al spoedig niet meer voorhanden. Vooral op de
scheepswerven ging men, bij gebrek aan vakbekwame arbeiders, ongeschoolde Nederlandse
arbeiders opleiden.
Een andere vorm van gastarbeid
Voor het ongeschoolde werk werden toen de weinig geschoolde of ongeschoolde mensen uit
Marokko en Turkije aangetrokken. Zodat er in 1968 al 12.600 Marokkanen en 12.300 Turken in
Nederland werkten. Zeker de Twentse textielindustrie had de verwachting dat ze die
ongeschoolde werkkrachten een jaar of vijf zou kunnen gebruiken. De geschiedenis heeft
geleerd dat die verwachtingen bewaarheid zijn geworden. Want gedurende de laatste 15 jaar
is zo goed als de hele textielindustrie naar lage-lonenlanden overgebracht. De selektie
die men toepaste bij het werven van geschoolde arbeiders was natuurlijk niet meer
toepasbaar op ongeschoolde arbeiders. De industrie vroeg en kreeg grote aantallen mensen,
die men aanvankelijk vuil werk tegen lage lonen liet verrichten. Hetgeen tot gevolg had
dat vuil werk vuil werk bleef, omdat zij toch wel bereid waren dat werk te verrichten. Een
en ander had tot gevolg dat hun Nederlandse kollega's het veel moeilijker kregen bij het
stellen van looneisen. Een bijkomend aspekt was het feit dat vooral de Turkse en
Marokkaanse arbeiders grote taalmoeilijkheden hadden en in heel veel gevallen analfabeet
waren. Door het aantrekken van enorme aantallen Turkse en Marokkaanse ongeschoolde
arbeiders was het voor het bedrijfsleven nog niet zo noodzakelijk te moderniseren.
Investeren in moderne arbeidsbesparende machines gaf minder zekerheid dan het aantrekken
van arbeiders die men tenslotte te allen tijde kon ontslaan. Hetgeen natuurlijk met
machines niet het geval is.
Intussen zorgde de hoog-konjunktuur ervoor dat het bedrijfsleven enorme winsten maakte,
die dikwijls wel in het buitenland werden geïnvesteerd. Pas toen de hoog-konjunktuur zijn
top had bereikt en weer begon af te nemen begonnen de ondernemers arbeidsbesparende
machines aan te schaffen en te automatiseren. Hun beleid werd toen ``vervanging van
arbeiders door machines''.
Het is bijzonder interessant het doen en laten van het bedrijfsleven - of moeten we het
``ondernemerdom'' of ``kapitalisme'' noemen - te bekijken. |
< inhoud > < volgende >
< vorige >
.
|